Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. grootmeester (de ~ | meervoud grootmeesters)
    meesterschaker of -dammer
    "een internationaal grootmeester"
  2. grootmeester (de ~ | meervoud grootmeesters)
    slim iemand; iem. die uitblinkt; iemand die ongelooflijke dingen kan; deskundige; toonaangevend iemand op bepaald gebied; iemand die ergens in uitmunt; iemand die ergens erg goed in is; op enige wijze opvallend iemand; iemand erg goed ergens in; iemand die ergens in uitblinkt; iemand die uitblinkt in bv. sport
    "een grootmeester in [het blaasvoetbal]"
    Synoniemen: uitblinker, aas, duivelskunstenaar, expert, kanjer, kraan, raspaardje, kei, topper, crack
  3. grootmeester (de ~ | meervoud grootmeesters)
    hoofd v.e. corporatie of orde
    "de grootmeester van de orde van Malta"
    Synoniemen: grootmeesteres
  4. grootmeester (de ~ | meervoud grootmeesters)
    hoofd v.d. hofhouding
    "Grootmeester van het huis van Hare Majesteit de Koningin"
    Synoniemen: grootmeesteres