Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. groot
    geestelijk en lichamelijk volgroeid, met kenmerken daarvan
    "ergens groot mee worden"
    Synoniemen: volwassen, adult, rijp
  2. groot
    van grote betekenis
    "een groot man"
    Synoniemen: gewichtig, important, belangrijk, zwaarwegend, significant, voornaam
  3. groot
    pijnlijke irritatie van de slijmhuid van de keel, meestal veroorzaakt door een ontsteking ervan
  4. groot
    behoorlijk; aanzienlijk; aanmerkelijk; behoorlijk; van belang; aanzienlijk; van groot belang; beduidend; ingrijpend; flink; aanzienlijk
    "een grote beslissing"
    Synoniemen: aardig, beduidend, considerabel, fors, merkelijk, aanzienlijk, flink, hoog, belangrijk, knap, gevoelig, behoorlijk, heel
  5. groot
    krachtig, stevig
    "een grote mond"
    Synoniemen: fors, breedgebouwd, fiks, flinkgebouwd, forsgebouwd, grofgebouwd, potig, robuust, zwaargebouwd, stevig, vierkant, flink
  6. groot
    meer dan normaal in formaat
  7. groot
    bewonderenswaardig, goed
    "Hij was een groot man."
  8. groot
    machtig, belangrijk
  9. groot
    volwassen
    "Grote mensen en kinderen."

Zelfstandig naamwoord

  1. groot
    een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd

Bijwoord

  1. groot
    in ruime mate

Verwijzingen

Werkwoord

  1. groot is een vervoeging van grootbrengen
  2. groot is een vervoeging van groothouden
  3. groot is een vervoeging van grootmaken

Voorbeeldzinnen

  1. Haar vader is groot.
  2. Deze honden zijn groot.
  3. Zijn ze groot?
  4. Hoe groot is het?
  5. Uw vader is groot.
  6. Dat huis is groot.
  7. Het boek is groot.
  8. Het is te groot.
  9. Dit is te groot.
  10. Meneer White's tuin is groot.