Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. grond (de ~ | meervoud gronden)
    datgene waarop iets berust
    "alle gronden missen"
    Synoniemen: fundament, hoeksteen, initia, pijler, basis, voet, substantie, grondslag, ondergrond
  2. grond (de ~ | meervoud gronden)
    korrelige stof v.h. aardoppervlak; donkere grond waarin gewassen groeien
    "[schrale/(on)vruchtbare] grond"
    Synoniemen: aarde
  3. grond
    het voornaamste deel van een geheel
    "In de grond is dit een geval van corruptie"
    Synoniemen: kern, essentialia, essentie, hoofdpunt, hoofdzaak, hypostase, kernpunt, kwintessens, zwaartepunt, wezen, primaat, substantie
  4. grond (de ~ | meervoud gronden)
    buitenkant v.d. aardbol; buitenkant v.d. aardbol; grond; vast aardoppervlak
    "te gronde gaan"
    Synoniemen: aardbodem, aarde, bodem
  5. grond
    een bepaald stuk van het aardoppervlak
    "De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen."
  6. grond
    de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
    "De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond."
  7. grond
    het aardoppervlak in algemene zin
    "Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond."
  8. grond
    de reden of basis van gedrag, houding of standpunt
    "Op welke grond heb je dat gedaan?"
  9. grond
    zeebodem.
    "Het schip was aan de grond gelopen."

Voorbeeldzinnen

  1. De plank vroor aan de grond vast.
  2. De oude man viel op de grond.
  3. Ze parkeerde haar auto op een onbebouwd stuk grond.
  4. Deze huizen werden tot de grond platgebrand door de vijand.
  5. Er zit een grond van waarheid in wat hij zegt.
  6. Ze lag neer op de grond en begon te lezen.
  7. In Singapore is op de grond spuwen een misdaad.
  8. Een van de appels viel op de grond.
  9. Het papieren vliegtuig gleed langzaam naar de grond.
  10. Op de vierde verdieping is er geen warm water, maar op de begane grond wel.