Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. grauw (het ~)
    het gewone volk
    "het grauw zijn zin geven"
    Synoniemen: gepeupel, canaille, crapuul, gemeen, goegemeente, janhagel, plebs, publiek, racaille, rapaille, voetvolk
  2. grauw
    paardachtig dier; ezel, eenhoevig dier uit het geslacht van de paarden
    Synoniemen: ezel, grauwtje
  3. grauw (de ~ | meervoud grauwen)
    korte of botte opmerking; onvriendelijk woord; hatelijke opmerking
    "een grauw en een snauw"
    Synoniemen: snauw, grom, kat

Bijvoeglijk naamwoord

  1. grauw (het ~)
    grijsachtige kleur
    "in grauw gekleed gaan"
  2. grauw
    vaalgrijs; erg grijs
    "een grauwe lucht"
    Synoniemen: asachtig, asgrauw
  3. grauw
    donkergrijs, kleurloos