Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. goed
    correct; juist; foutloos; correct
    "goed zo!"
    Synoniemen: juist, recht, correct, zuiver
  2. goed
    van karakter; vriendelijk
    "de goeden moeten onder de kwaden lijden"
    Synoniemen: goedaardig
  3. goed
    in orde
    "een goed woordje voor iemand doen"
  4. goed
    kwaliteit bezittend
    "Wat een goed stuk om te lezen!"

Zelfstandig naamwoord

  1. goed (het ~)
    kleren, kledij
    "zijn goeie goed (aanhebben)"
    Synoniemen: kleding, kledij, kleren
  2. goed
    grote bezitting op het land
    Synoniemen: landgoed, zate
  3. goed (het ~ | meervoud goederen)
    kleding van geweven stoffen; textielstoffen en -voorwerpen
    "wit/bont goed"
    Synoniemen: textiel, manufacturen
  4. goed (het ~)
    dat wat goed is
    "ergens goed aan doen"
  5. goed
    iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
    "Gezondheid is een groot goed."

Bijwoord

  1. goed
    op goede wijze
    "Goed gedaan!"
  2. goed
    in hoge mate
    "Het is goed mis in Nederland."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. goed is een vervoeging van goedachten
  2. goed is een vervoeging van goeddoen
  3. goed is een vervoeging van goeddunken
  4. goed is een vervoeging van goedhouden
  5. goed is een vervoeging van goedkeuren
  6. goed is een vervoeging van goedleggen
  7. goed is een vervoeging van goedmaken
  8. goed is een vervoeging van goedpraten
  9. goed is een vervoeging van goedspreken
  10. goed is een vervoeging van goedvinden

Voorbeeldzinnen

  1. Eind goed, al goed.
  2. Eind goed, al goed.
  3. Goed
  4. Echt goed!
  5. Hij speelt zeer goed.
  6. Dit is goed vlees.
  7. Zwart staat je goed.
  8. Zorg goed voor jezelf.
  9. Loopt je horloge goed?
  10. Groen staat Alice goed.