Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. gleuf (de ~ | meervoud gleuven)
    greppeltje; geul
    "een gleuf graven"
    Synoniemen: geul, afvoergeul
  2. gleuf (de ~ | meervoud gleuven)
    vrouwelijk geslachtsdeel; (vulgair) vagina; vagina; (vulgair) vagina; schaamspleet; vagina; buisvormig deel van de vrouwelijke geslachtsorganen bij mensen en hogere dieren, dat toegang verleent tot de baarmoeder; zwak iemand; vagina
    Synoniemen: vagina, flamoes, kut, poes, spleet, trut, snede, pruim, snee, mossel, schede
  3. gleuf (de ~ | meervoud gleuven)
    vrouw; (vulgair) vrouw; vrouw; (informeel) meid
    Synoniemen: gleufdier, vrouwmens, vrouwspersoon, wijf, mens, mokkel, wijfie
  4. gleuf
    een langgerekte opening of inkeping in iets
    "Je moet nog een euro in de gleuf stoppen."

Voorbeeldzinnen

  1. met gleuf of kruisgleuf
  2. Boor met lange gleuf of met een in vakken ingedeelde gleuf.
  3. Figuur 9 — Bus met gleuf voor trekogen van klasse D50
  4. Andere schroeven en bouten met kop met gleuf of kruisgleuf
  5. de hartlijn van de gleuf loodrecht staat op de hartlijn van de wagen;
  6. Schroeven en bouten met kop, met gleuf of kruisgleuf, van roestvrij staal
  7. Figuur 10 — Bus zonder gleuf voor trekogen van klasse D50-C
  8. Trekogen van de klassen D50-C en D50-D moeten voorzien zijn van de in figuur 10 afgebeelde bussen zonder gleuf.