Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. getrouw
    (van personen) te vertrouwen, zo dat men zich erop kan verlaten
    "[zijn afspraak] getrouw blijven"
    Synoniemen: betrouwbaar, degelijk, vertrouwenwekkend, solide
  2. getrouw
    iemand die zorgvuldig handelt naar gelang zijn of haar verantwoordelijkheden.
    iemand die doet wat hij of zij verplicht is te doen of wat men van die persoon mag verwachten.
    Synoniemen: plichtsgetrouw, plichtbewust, plichtgetrouw, plichtsbewust
  3. getrouw
    loyaal; trouw; trouw
    "iemand getrouw dienen"
    Synoniemen: trouw, loyaal

Voorbeeldzinnen

  1. Getrouw beeld en naleving van de IFRSs
  2. Zij geven een getrouw beeld van:
  3. Om een getrouw beeld te bereiken, moet een entiteit tevens:
  4. 17 In vrijwel alle omstandigheden wordt een getrouw beeld verkregen door naleving van de toepasselijke IFRSs.
  5. De rekeningen moeten regelmatig, waarheidsgetrouw en volledig zijn, alsook een getrouw beeld geven van:
  6. De rating bevat impliciet een beoordeling van de bank en geeft een getrouw beeld van het totale wanbetalingsrisico.
  7. De conclusie luidde dat dit in strijd was met IASĀ 1 (de jaarrekening moet een getrouw beeld geven).
  8. De toepassing van de IFRSs, met waar nodig aanvullende informatie, wordt geacht te leiden tot een jaarrekening die een getrouw beeld geeft.
  9. dat zij de toepasselijke IFRSs heeft nageleefd, maar dat een bepaalde vereiste niet is nageleefd teneinde een getrouw beeld te bewerkstelligen;
  10. voor elke verslagperiode, de door het management noodzakelijk geachte aanpassingen van de posten in de jaarrekening om een getrouw beeld te bewerkstelligen.