Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. gesel (de ~ | meervoud gesels, geselen)
    zweep
    "iemand straffen met een gesel"
  2. gesel (de ~ | meervoud gesels, geselen)
    plaag; verschrikkelijke plaats; grote ramp; iets zeer vervelends; ellende
    "de gesel Gods"
    Synoniemen: hel, inferno, plaag, pest, verschrikking
  3. gesel (de ~ | meervoud gesels)
    haar voor voortbeweging van eencelligen
    "de gesel van het pantoffeldiertje"
    Synoniemen: zweepdraad
  4. gesel
    een werktuig waarmee men ter bestraffing op de rug van iemand slaat

Verwijzingen

Werkwoord

  1. gesel is een vervoeging van geselen