Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. gepeupel (het ~)
    het gewone volk
    "het gepeupel in de straten"
    Synoniemen: canaille, crapuul, gemeen, goegemeente, grauw, janhagel, plebs, publiek, racaille, rapaille, voetvolk
  2. gepeupel (het ~)
    het gewone volk
    "het gepeupel in de straten"

Voorbeeldzinnen

  1. Ik haat het onbeschaafde gepeupel en houd het op een afstand