Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. gepast
    netjes, fatsoenlijk; fatsoenlijk; zoals het hoort; zoals het hoort
    Synoniemen: comme il faut, decent, voegzaam, welvoeglijk, correct, passend
  2. gepast
    fatsoenlijk
    "met gepaste eerbied"

Verwijzingen

Werkwoord

  1. gepast is een vervoeging van passen

Voorbeeldzinnen

  1. Zijn toespraak was niet erg gepast voor de gelegenheid.
  2. De spreker reageert onmiddellijk, gepast en informatief.
  3. Daarom is een rechtstreekse vergelijking niet gepast.
  4. De spreker reageert veelal onmiddellijk, gepast en informatief.
  5. De spreker reageert soms onmiddellijk, gepast en informatief.
  6. indien gepast, biologische monitoring alsmede opsporing van de eerste en nog reversibele effecten.
  7. Om al deze redenen is het totale niveau van de steun gepast.
  8. Deze inventarissen dienen als basis voor een gepast programma aan maatregelen.
  9. Een periode die op 31 december 2011 verstrijkt, lijkt daartoe het meest gepast.
  10. Het is daarom gepast het Programma voor ondernemerschap en innovatie vast te stellen.