Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. gemeen (het ~)
    het gewone volk
    Synoniemen: gepeupel, canaille, crapuul, goegemeente, grauw, janhagel, plebs, publiek, racaille, rapaille, voetvolk
  2. gemeen
    het gemeenschappelijke
    "Die twee soort hebben in het gemeen dat ze beide zoogdieren zijn."

Bijvoeglijk naamwoord

  1. gemeen
    in hoge mate
    "dat is gemeen duur"
  2. gemeen
    gezamenlijk; met z'n allen; gemeenschappelijk; mbt. de EU
    "gemene zaak met iemand maken"
    Synoniemen: gemeenschappelijk, collectief, communaal, gezamenlijk, communautair
  3. gemeen
    laag; gemeen; van karakter
    "een gemene streek"
    Synoniemen: slecht, naar
  4. gemeen
    algemeen bekend
    "gemene lasten"
    Synoniemen: publiek, openbaar
  5. gemeen
    beneden de gordel, buiten alle regels
    "Hij gaf hem een gemene trap."
  6. gemeen
    gemeenschappelijk
    "De grootste gemene deler."
  7. gemeen
    ''het kleinste gemene veelvoud''

Voorbeeldzinnen

  1. Is jouw hond gemeen?
  2. Ze is gemeen.
  3. Ze heeft niks gemeen met hem.
  4. Zijn broer deed gemeen tegen me.
  5. Ik weet zeker dat we veel gemeen hebben.
  6. Een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.
  7. Ik geef het op. Wat hebben een Ierse priester en een Congoleese medicijnman gemeen?
  8. Dit is wat wiskundigen en Fransen gemeen hebben: wat je hen ook probeert uit te leggen, ze vertalen het op hun eigen manier en verdraaien het in iets wat helemaal anders is.
  9. Gemeen-schap (EVF)
  10. Alle landen die het type gemeen hebben