Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. gek
    blijkgevend van gebrek aan gezond verstand
    "dat is te gek om los te lopen"
    Synoniemen: abnormaal, besodemieterd, betoeterd, crazy, dwaas, gaga, geschift, geschuffeld, gesjochten, gestoord, getikt, getroebleerd, halfwijs, inept, kierewiet, kolderiek, krankjorum, lijp, maf, mal
  2. gek
    zodanig gestoord in zijn geestelijke vermogens, dat men niet in staat is zichzelf te leiden of de rechten van anderen te eerbiedigen
    "je bent toch niet gek!"
    Synoniemen: bezeten, frenetiek, gestoord, ontzind, waanzinnig, krankzinnig
  3. gek
    dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
    "gek zijn op iets of iemand"
    Synoniemen: stapel, tuk, verkikkerd, verslingerd, verzot, dol, wild, bezeten, geil
  4. gek
    ongebruikelijk, raar, vreemd, ongewoon
  5. gek
    bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
  6. gek
    grappig.
  7. gek
    knettergek.

Zelfstandig naamwoord

  1. gek
    een persoon die (tijdelijk) iets raars doet
    "Wat een gek!"
  2. gek
    een persoon die (regelmatig) vreemde dingen doet, een dwaas
  3. gek
    iemand met zeer lage intelligentie
  4. gek
    een draaibare kap op een schoorsteen, die verhinderen moet dat de wind in de schoorsteen slaat

Verwijzingen

Werkwoord

  1. gek is een vervoeging van gekken

Voorbeeldzinnen

  1. Gek!
  2. Ben je gek?
  3. Ben je gek?
  4. Je bent gek.
  5. Gek zijn is gezond.
  6. Tom is gek geworden.
  7. Hij is niet gek.
  8. Hij is gek op jou.
  9. Ik ben gek op hem!
  10. Ik ben gek op jullie.