Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. gehoor (het ~)
    alle toeschouwers; collegezaal; verzamelde toehoorders
    "een talrijk gehoor"
    Synoniemen: publiek, gehoorzaal
  2. gehoor (het ~)
    welwillende aandacht
    "iemand gehoor geven/verlenen"
  3. gehoor (het ~)
    hoorvermogen
    "het gehoor strelen/kwetsen"
  4. gehoor
    het systeem om te horen
    "Mijn opa's gehoor was erg slecht geworden."

Werkwoord

  1. gehoor (het ~)
    het horen zelf
    "geen gehoor (kunnen) krijgen"

Voorbeeldzinnen

  1. Niemand vindt gehoor (bij de rechter) wanneer hij zich beroept op zijn eigen schandelijk gedrag
  2. Gehoor
  3. Gehoor: …
  4. GEHOOR
  5. gehoor?
  6. Eén belanghebbende heeft hieraan gehoor gegeven.
  7. Aanvullende eisen ten aanzien van spraak en gehoor
  8. hij geeft gehoor aan verzoeken om bijstand van de Commissie.
  9. onderzoeken van de zintuiglijke functies (gezicht, gehoor, kleurwaarneming),
  10. onderzoeken van de zintuiglijke functies (gezicht, gehoor, kleurwaarneming);