Betekenis

Werkwoord

  1. gebruiken
    (voedsel, drank) tot zich nemen
    "de maaltijd gebruiken"
    Synoniemen: nuttigen, ontfermen, nemen, consumeren
  2. gebruiken
    gebruiken voor een doel; gebruiken; gebruiken; benutten; gebruik maken van; hanteren
    "een mixer gebruiken om eieren te kloppen"
    Synoniemen: aanwenden, bezigen, nemen, pakken, toepassen
  3. gebruiken
    zich bedienen van, toepassen
    "Piet gebruikte een ladder om op het dak te komen."
  4. gebruiken
    eten, nuttigen
    "Op Goede Vrijdag mochten wij alleen brood en water gebruiken."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. gebruiken is een vervoeging van opgebruiken

Voorbeeldzinnen

  1. Mag ik dit gebruiken?
  2. Ik moet medicijnen gebruiken.
  3. Mag ik dit potlood gebruiken?
  4. Mag ik deze fiets gebruiken?
  5. Mag ik jouw potlood gebruiken?
  6. Wil je de mijne gebruiken?
  7. Mag ik jouw telefoon gebruiken?
  8. Je mag mijn jacht gebruiken.
  9. Mag ik je telefoon gebruiken?
  10. Mag ik jouw telefoon gebruiken?