Betekenis

Werkwoord

  1. gaan
    zich voortbewegen
    "een rondje om gaan"
  2. gaan
    zich vertonen in bepaalde kleding
    "in een broekpak gaan"
  3. gaan
    heengaan, zich van een bepaalde plaats verwijderen
    "weg gaan"
    Synoniemen: afnokken, aftaaien, moven, nokken, opdonderen, opduvelen, opflikkeren, ophoepelen, opkramen, opkrassen, oplazeren, opmieteren, oprotten, oprukken, opsodemieteren, vertrekken, wegwezen, heengaan, weggaan, opstappen
  4. gaan
    beheer voeren; taak hebben
    "ergens over gaan"
    Synoniemen: beheren
  5. gaan
    als onderwerp hebben
    "over [kabouters/politiek/sport/vrouwen] gaan"
    Synoniemen: aanbelangen, betreffen, bewegen, gelden, handelen, slaan, raken, treffen, aankomen, aangaan, draaien
  6. gaan
    in actie zijn
    "we gaan ervoor"
  7. gaan
    in een toestand komen of raken
    "gaan flippen"
  8. gaan
    zich naar een bepaald punt begeven
    "naar je werk/het buitenland/je ouders gaan"
    Synoniemen: koersen, tijgen
  9. gaan
    zich door ruimte begeven
    "er gaan geruchten"
  10. gaan
    zich met de benen voortbewegen
    "naar je werk/het buitenland/je ouders gaan"
    Synoniemen: lopen, treden

Zelfstandig naamwoord

  1. gaan
    verkering hebben
    "met iemand gaan"
    Synoniemen: verkeren

Bijvoeglijk naamwoord

  1. gaan
    denkbaar zijn; mogelijk zijn; mogelijk zijn
    "er gaan zeven dagen in een week"
    Synoniemen: bestaan, kunnen

Verwijzingen

Werkwoord

  1. gaan is een vervoeging van aangaan
  2. gaan is een vervoeging van achteraangaan
  3. gaan is een vervoeging van achtergaan
  4. gaan is een vervoeging van achternagaan
  5. gaan is een vervoeging van achteruitgaan
  6. gaan is een vervoeging van afgaan
  7. gaan is een vervoeging van binnengaan
  8. gaan is een vervoeging van buitengaan
  9. gaan is een vervoeging van dichtgaan
  10. gaan is een vervoeging van doodgaan
  11. gaan is een vervoeging van doorgaan
  12. gaan is een vervoeging van gelijkgaan
  13. gaan is een vervoeging van heengaan
  14. gaan is een vervoeging van ingaan
  15. gaan is een vervoeging van kapotgaan
  16. gaan is een vervoeging van langsgaan
  17. gaan is een vervoeging van lediggaan
  18. gaan is een vervoeging van losgaan
  19. gaan is een vervoeging van medegaan
  20. gaan is een vervoeging van meegaan
  21. gaan is een vervoeging van misgaan
  22. gaan is een vervoeging van nagaan
  23. gaan is een vervoeging van neergaan
  24. gaan is een vervoeging van omgaan
  25. gaan is een vervoeging van omhooggaan
  26. gaan is een vervoeging van onderuitgaan
  27. gaan is een vervoeging van opengaan
  28. gaan is een vervoeging van opgaan
  29. gaan is een vervoeging van overgaan
  30. gaan is een vervoeging van platgaan

Voorbeeldzinnen

  1. Vandaag gaan we gaan dansen.
  2. We kunnen beter gaan.
  3. Naar waar gaan we?
  4. Ik moet gaan.
  5. Vanavond gaan we dansen.
  6. Laten we niet gaan.
  7. Ze liet haar gaan.
  8. Ik moet gaan slapen.
  9. Laten we verder gaan.
  10. Zullen we gaan zwemmen?