Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. futloos
    zonder energie, fut om iets te ondernemen
    "futloos onderuitgezakt"
    Synoniemen: lusteloos, apathisch, beroerd, energieloos, hangerig, lamlendig, lamzalig, landerig, lethargisch, pitloos, verveeld, zakkerig, zakkig, druilerig
  2. futloos
    geen energie en fut hebben
    "Als ik 's morgens opsta, ben ik dikwijls futloos."