Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. fundament (het ~ | meervoud fundamenten)
    datgene waarop iets berust
    "een stevig fundament"
    Synoniemen: grond, hoeksteen, initia, pijler, basis, voet, substantie, grondslag, ondergrond
  2. fundament (het ~ | meervoud fundamenten)
    metselwerk in de grond waarop een muur of huis gebouwd wordt
    "de kelders en de fundamenten van een Romeinse tempel"
    Synoniemen: fondement, fondering, fundering, grondvest, grondvesting, basis, grondslag
  3. fundament
    achterwerk; het achterste, de billen, van mens of dier; achterwerk; het achterste, de billen, van mens of dier; bips; billen; achterste; achterwerk; billen; achterste; billen; achterwerk
    Synoniemen: achterste, batterij, derrière, krent, posterieur, reet, tooches, bibs, bips, achterwerk, gat, zitvlak, hol, kont, achtersteven
  4. fundament
    de basis waarop een huis wordt gebouwd
    "Het fundament was verzakt dus kwamen er diverse scheuren in de muren."
  5. fundament
    de basis waarop verder gewerkt kan worden
    "Het fundament is gelegd door hier de uitgangspunten van deze opdracht te bespreken."

Voorbeeldzinnen

  1. De vermeende hefboomwerking van 1:50 ontbeerde voorts ieder fundament.
  2. Dit zou mogelijk een goed fundament voor degelijke commerciële bankactiviteiten kunnen zijn en opportunistische, door de kapitaalmarkt aangedreven activiteiten moeten hierdoor minder gewicht krijgen.
  3. De geïntegreerde strategie voor onderzoek en benutting, ontwikkeld door het Europees technologieplatform voor waterstof en brandstofcellen, vormt de basis voor een strategisch geïntegreerd programma voor toepassingen in het vervoer en stationaire en draagbare toepassingen, waarmee wordt getracht een stevig technologisch fundament te leggen voor de opbouw van een concurrerende EU-industrie voor de levering van en apparatuur voor brandstofcellen en waterstof.