Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. front (het ~ | meervoud fronten)
    locatie v.e. gevecht; strijdlinie; plaats waar strijd geleverd wordt; slagveld
    "een front vormen tegen"
    Synoniemen: slagveld, strijdperk, arena, veld
  2. front
    gesteven kledingstuk waaraan het halsboord bevestigd is
  3. front (het ~ | meervoud fronten)
    meteorologisch
    "een front op de Atlantische oceaan"
  4. front (het ~ | meervoud fronten)
    belangrijkste of zichtbare kant; voorzijde v.e. voorwerp; belangrijkste of zichtbare kant
    "het Friese Front"
    Synoniemen: voorkant, voorzijde
  5. front (het ~ | meervoud fronten)
    organisatie die voor een zaak strijdt; voorste of voorafgaande afdeling van een groep mensen; voorste deel v.e. groep
    "het Verenigd Revolutionair Front"
    Synoniemen: aanvalsfront, aanvalslinie, spits, voorhoede

Voorbeeldzinnen

  1. Zij probeerden het vijandelijk front te doorbreken.
  2. Van het westelijk front geen nieuws.
  3. Front- en sluitseinbediening
  4. front- en zijramen,
  5. Stuurcabine (front of gewoon):
  6. Jerez de la Front.
  7. Stuurcabine (front of normaal): …
  8. Stuurcabine (front of torpedo) (z):
  9. Great Islamic Eastern Warriors Front (IBDA-C)
  10. Great Islamic Eastern Warriors Front (IBDA-C)