Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. fris
    vrij van vuil of ongerechtigheden
    "een fris tafellaken"
    Synoniemen: hygiënisch, proper, rein, schoon, helder, zindelijk, zuiver
  2. fris
    origineel, recent; origineel; oorspronkelijk; veel alcohol bevattend
    "met frisse moed"
    Synoniemen: zelfbedacht, oorspronkelijk, origineel, geestrijk
  3. fris
    koel; fris
    "fris water"
    Synoniemen: frisjes, koel
  4. fris
    zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
    "De badkamer is weer helemaal fris."
  5. fris
    ''ironisch'': weinig te vertrouwen
    "Frisse jongens zijn dat!"
  6. fris
    ''~ weer'': aan de koude kant
    "Het is een stuk frisser geworden."
  7. fris
    ''~drank'': een koele drank, meestal met koolzuurbelletjes
    "Geeft u mij maar iets fris!"

Zelfstandig naamwoord

  1. fris (de/het ~)
    verfrissende, niet alcoholische drank
    "een blikje fris"
    Synoniemen: frisdrank

Verwijzingen

Werkwoord

  1. fris is een vervoeging van frissen

Voorbeeldzinnen

  1. Het is fris vandaag.
  2. Het water in het meer is fris.
  3. Het was fris in de schaduw van de bomen.
  4. Een kort middagdutje en hoplakee, ik ben weer fris als een hoentje.
  5. voorzien van hun kelk (behalve bij bosaardbeien); de kelk en, indien aanwezig, het steeltje moeten fris en groen zijn,
  6. De dieren dienen te allen tijde van fris en schoon water te zijn voorzien, waartoe alle leden van de groep een onbelemmerde toegang dienen te hebben.