Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. frank (de ~ | meervoud franken, franks)
    bepaalde munteenheid
    "niet op een frank kijken"
  2. frank
    een munteenheid die onder andere in Burundi, Congo, Djibouti, Guinee, Rwanda en Zwitserland gebruikt wordt
    "Ah, nu valt mijn frankske!"

Bijvoeglijk naamwoord

  1. frank
    vrij in het uiten van zijn gemoed
    "frank en vrij"
    Synoniemen: vrijmoedig, onbevangen, los, ongedwongen, vrij, natuurlijk, ongekunsteld
  2. frank
    vrijpostig; ongedwongen; brutaal; brutaal; brutaal; vrijpostig; niet bescheiden
    "iemand frank de waarheid zeggen"
    Synoniemen: brutaal, astrant, familiaar, familiair, impertinent, onbeschaamd, vrijpostig, onbescheiden
  3. frank
    stoutmoedig.
    "Frank en vrij."

Voorbeeldzinnen

  1. Tom en Frank zijn goede vrienden.
  2. De Zwitserse frank is aan den euro gekoppeld.
  3. Bijnamen: Frank Kakorere, Frank Kakorere Bwambale
  4. In Franse frank.
  5. Dr. Frank Jongert”
  6. Naam, voornaam: BWAMBALE, Frank Kakolele
  7. De heer Frank Anderson Kouassi
  8. Frank Kakolele Bwambale (ook bekend als a) Frank Kakorere, b) Frank Kakorere Bwambale).
  9. verstrekken van startkapitaal van 250 miljoen Belgische frank (6179338 EUR);
  10. Voor alle behandelde dossiers samen hebben de autoriteiten van Corsica in totaal meer dan 13 miljoen frank aan subsidies toegekend, welk bedrag uiteenvalt in 11,5 miljoen frank investeringssteun en 1,6 miljoen frank exploitatiesteun.