Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. fors
    behoorlijk; aanzienlijk; aanmerkelijk; behoorlijk; van belang; aanzienlijk; van groot belang; beduidend; ingrijpend; flink; aanzienlijk
    "een fors(e) bedrag/hoeveelheid"
    Synoniemen: aardig, beduidend, considerabel, merkelijk, aanzienlijk, flink, groot, hoog, belangrijk, knap, gevoelig, behoorlijk, heel
  2. fors
    krachtig, stevig
    "een forse kerel/lichaamsbouw"
    Synoniemen: breedgebouwd, fiks, flinkgebouwd, forsgebouwd, grofgebouwd, potig, robuust, zwaargebouwd, stevig, vierkant, flink, groot
  3. fors
    groot in zijn soort
    "Er vond een forse stijging in de olieprijs plaats."

Voorbeeldzinnen

  1. De gemiddelde prijzen van de betrokken invoer zijn fors gedaald.
  2. De communautaire marktprijzen voor zuivelproducten zijn fors gedaald.
  3. Sinds medio 2007 is de wisselkoers fors gedaald.
  4. Brouwgerst steeg eveneens fors en bereikte bijna 310 EUR/ton eind september 2007.
  5. De gemiddelde transactievolumes zijn fors gestegen omdat risicokapitaalondernemingen proberen te profiteren van schaalvoordelen.
  6. Fors verminderen van de huidige achterstand en zorgen voor een tijdige uitvoering van vonnissen van rechtbanken.
  7. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde fors tussen 2002 en het nieuwe onderzoekstijdvak.
  8. De Deense federatie merkt daarenboven op dat de scheepsbouwindustrie in niet-Europese landen fors wordt gesubsidieerd.
  9. In 2004 zijn de voorraden fors toegenomen als gevolg van de overvloedige oogst in 2004.
  10. De bedrijfstak van de Gemeenschap is er immers in geslaagd zijn arbeidskosten tijdens de beoordelingsperiode fors te verlagen (– 14 %).