Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. flik (de ~ | meervoud flikken)
    chocolaatje
  2. flik (de ~ | meervoud flikken)
    ambtenaar van de politie
    Synoniemen: politieagent, agent, bout, diender, flic, gerechtsdienaar, glimmerik, juut, klabak, politie, politieambtenaar, politiebeambte, rakker, sjouter, smeris, tuut, wout, pandoer

Verwijzingen

Werkwoord

  1. flik is een vervoeging van flikken