Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. enkel
    deel van een kous enz. dat de enkel omsluit
  2. enkel
    enkele reis; treinkaartje voor reis in één richting
    Synoniemen: enkeltje
  3. enkel (de ~ | meervoud enkels)
    gewricht tussen voet en onderbeen
    "een rok die tot de enkels valt"
    Synoniemen: enkelgewricht
  4. enkel
    gewricht dat de voet met het been verbindt
  5. enkel
    enkelspel
  6. enkel
    gewricht dat de voet met het been verbindt
  7. enkel
    enkelspel

Bijvoeglijk naamwoord

  1. enkel
    niet dubbel; niet samengesteld
    "een enkele boterham"
    Synoniemen: enkelvoudig
  2. enkel
    vrij van alles wat er niet aan, bij of in hoort
    Synoniemen: zuiver, bloot, sec
  3. enkel
    niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
  4. enkel
    niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis

Bijwoord

  1. enkel
    slechts
    Synoniemen: alleen, puur, slechts, uitsluitend, zuiver, louter
  2. enkel
    niet dubbel
  3. enkel
    niet meer dan
  4. enkel
    niet dubbel
  5. enkel
    niet meer dan

Voorbeeldzinnen

  1. Dat weet enkel Obama.
  2. ik heb mijn enkel verzwikt.
  3. Hij viel en verzwikte zijn enkel.
  4. Wij hebben enkel rijp fruit verzameld.
  5. Geen enkel boek is het lezen waard.
  6. Enkel vrede kan de wereld redden.
  7. Nooit zag ik dergelijk kwaad in één enkel hart!
  8. Voor de laatkomers, enkel de beenderen
  9. Ik heb geen enkel idee waarom zij zo kwaad geworden is.
  10. Dit toont aan dat Engels niet enkel meer voor de Britten is weggelegd.