Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. eikel (de ~ | meervoud eikels)
    vrucht v.d. eik
    "in het bos lag het vol eikeltjes en beukennootjes"
  2. eikel (de ~ | meervoud eikels)
    domoor
    "ik hoop dat die eikels er flink hasj in hebben gedaan"
    Synoniemen: sufferd, appelflap, augurk, dodo, dombo, domoor, onbenul, drol, droplul, druiloor, eendvogel, ei, ezel, ezelskop, ezelsveulen, flapdrol, hals, ignorant, jojo, kalf
  3. eikel
    vrucht van de eikenboom
    "De eikels lagen voor het oprapen."
  4. eikel
    top van de penis
    "Met een watje en lauw water de eikel schoonmaken."
  5. eikel
    nietsnut, kluns; vervelende vent
    "Stomme eikel!"