Betekenis

Werkwoord

  1. dweilen
    aan de zwier zijn; inspannend lopen; in een sliert gaan; op stap gaan
    Synoniemen: boemelen, pierewaaien, pintelieren, rinkelrooien, sjouwen, slieren, slijpen, wallebakken, stappen
  2. dweilen
    ijsbaan vegen
    "de baan dweilen"
  3. dweilen
    met een dweil schoonmaken
    "de vloer dweilen"

Verwijzingen

Werkwoord

  1. dweilen is een vervoeging van aandweilen
  2. dweilen is een vervoeging van afdweilen
  3. dweilen is een vervoeging van opdweilen
  4. dweilen is een vervoeging van uitdweilen

Voorbeeldzinnen

  1. Dweilen.
  2. dweilen, vaatdoeken, stofdoeken, poetsdoeken en dergelijke
  3. Dweilen, vaatdoeken, stofdoeken, poetsdoeken e.d., van textielvlies
  4. Schoonmaakartikelen, zoals bezems, boenders, stoffers en blikken, stofdoeken, theedoeken, dweilen, sponzen
  5. Dweilen, vaatdoeken en stofdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk
  6. Dweilen, vaatdoeken, stofdoeken, poetsdoeken e.d., gebreid, gehaakt of van textielvlies; reddingsvesten, reddingsboeien en andere artikelen
  7. Dweilen, vaatdoeken, stofdoeken, poetsdoeken e.d., (excl. gebreid, gehaakt, of van textielvlies)
  8. Dweilen, vaatdoeken, stofdoeken, poetsdoeken e.d., gebreid, gehaakt of van textielvlies; reddingsvesten, reddingsboeien en andere artikelen
  9. Dweilen, vaatdoeken en stofdoeken, andere dan die van brei- of haakwerk
  10. artikelen die als zodanig dan wel na enkel te zijn gesneden, kunnen worden gebruikt zonder te worden genaaid of zonder een andere aanvullende bewerking te ondergaan (bijvoorbeeld sommige dweilen, handdoeken, tafelkleden, hoofddoeken, dekens);