Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. dwaasheid (de ~ | meervoud dwaasheden)
    dwaze daad of zaak; iets onzinnigs; onmogelijke opdracht; het gek of fanatiek zijn; dwaasheid; onzin, iets geks; onverstandige daad; iets doms
    "dwaasheden begaan"
    Synoniemen: gekheid, absurditeit, gekkenwerk, gekte, idiotie, idiotisme, ineptie, ongerijmdheid, potsierlijkheid, waanzin, zotheid, zotternij, zottigheid, onzin
  2. dwaasheid (de ~ | meervoud dwaasheden)
    onzinnige praat
    Synoniemen: onzin, apekool, beuzelarij, bullshit, flauwekul, ge-o-ha, gebeuzel, gekakel, gekkenpraat, gekwek, gelul, geneuzel, geouwehoer, geraaskal, gewauwel, gezwam, gezwets, klets, kletskoek, kletspraat
  3. dwaasheid
    de toestand van dwaas zijn
    "Dat is de dwaasheid gekroond."
  4. dwaasheid
    een dwaze handeling
    "Hij beging opnieuw dwaasheden, waarvoor hij zwaar gestraft werd."

Voorbeeldzinnen

  1. Kunstmatige intelligentie kan niet tegen natuurlijke dwaasheid op.