Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. duts (de ~ | meervoud dutsen)
    knoeier
    Synoniemen: kluns, dreutel, frutselaar, hannes, jandoedel, klungel, knurft, lomperd, lummel, prutser, stoethaspel, stuntel, stuntelaar, sukkel, amateur, hobbezak, knuppel

Verwijzingen

Werkwoord

  1. duts is een vervoeging van dutsen