Betekenis

Werkwoord

  1. druk
    elk van de technieken van het boek- en plaatdrukken
    Synoniemen: druktechniek

Zelfstandig naamwoord

  1. druk (de ~ | meervoud drukken)
    uitgave v.e. boek; oplage; uitgave
    "de [eerste/tweede] druk"
    Synoniemen: uitgave, editie
  2. druk (de ~ | meervoud drukken)
    druk door last; duwende kracht
    "druk tegen [de wand]"
    Synoniemen: belasting
  3. druk
    (van zedelijke en maatschappelijke krachten) de aanwezigheid van een belemmerend of sturend werkende kracht
    Synoniemen: belasting, drang, last
  4. druk
    drol; broodje; drol; drol; vaste ontlasting; hoeveelheid menselijke of dierlijke uitwerpselen
    Synoniemen: hoop, bolus, bout, dreutel, drol, hoopje
  5. druk
    pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
  6. druk
    situatie dat iets of iemand je tot iets dwingt
  7. druk
    keer dat iets gedrukt is

Bijvoeglijk naamwoord

  1. druk
    bedrijvig; druk
    "drukke bezigheden/werkzaamheden"
    Synoniemen: geoccupeerd, bezet
  2. druk
    ongedurig; druk; van karakter
    "een druk kind"
    Synoniemen: rusteloos, roerig
  3. druk
    turbulent; rumoerig; woelig; onrustig
    "een drukke straat/weg/stad"
    Synoniemen: roerig, tumultueus, turbulent, woelig, actief, bedrijvig, werkzaam

Verwijzingen

Werkwoord

  1. druk is een vervoeging van drukken

Voorbeeldzinnen

  1. Ze waren druk.
  2. Ik sta altijd onder druk.
  3. Ze is zeker druk bezig.
  4. Heb je het altijd druk?
  5. De stad was erg druk.
  6. Hij zette me onder druk.
  7. Ze was druk bezig met haar huiswerk.
  8. Druk jezelf zo duidelijk mogelijk uit.
  9. Help hem als hij het druk heeft.
  10. Heb je het druk op het moment?