Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. drom (de ~ | meervoud drommen)
    grote drom mensen
    "drommen (van) mensen"
    Synoniemen: menigte, heer, heir, horde, leger, legerschaar, legioen, massa, mensenmassa, mensenmenigte, mensenzee, myriade, schare, stoet, volk, sleep, schaar, meute
  2. drom
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: boel, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep

Verwijzingen

Werkwoord

  1. drom is een vervoeging van drommen