Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. dreutel (de ~ | meervoud dreutels)
    klein kind
    Synoniemen: dreumes, hummel, kabouter, keutel, kruimel, krummel, puk, ukkepuk, wurm
  2. dreutel
    iemand die niet opschiet; iemand die treuzelt; iemand die expres treuzelt; zeurende treuzelaar
    Synoniemen: treuzelaar, lijntrekker, plantrekker, teut, treuzel
  3. dreutel (de ~ | meervoud dreutels)
    knoeier
    Synoniemen: kluns, duts, frutselaar, hannes, jandoedel, klungel, knurft, lomperd, lummel, prutser, stoethaspel, stuntel, stuntelaar, sukkel, amateur, hobbezak, knuppel
  4. dreutel
    drol; broodje; drol; drol; vaste ontlasting; hoeveelheid menselijke of dierlijke uitwerpselen
    Synoniemen: hoop, bolus, bout, drol, druk, hoopje

Verwijzingen

Werkwoord

  1. dreutel is een vervoeging van dreutelen