Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. donker
    niet of weinig verlicht
    "een donker(e) hoekje/steegje/gang/kelder/nacht"
    Synoniemen: duister
  2. donker
    niet licht van kleur
    "als een donkere schaduw over iets heen liggen"
  3. donker
    van (stem)geluid; laag en diep; niet helder van klank
    "een donkere stem"
    Synoniemen: diep, zwaar
  4. donker
    akelig; somber, ongunstig; treurigmakend donker
    "donker Afrika"
    Synoniemen: droefgeestig, naargeestig, somber
  5. donker
    zonder licht
    "Door de stroomuitval zitten we nu al anderhalve dag in een donker huis."

Voorbeeldzinnen

  1. De lucht wordt donker.
  2. Het wordt donker buiten.
  3. Het is heel donker.
  4. Katten kunnen in het donker zien.
  5. In de winter wordt het vroeg donker.
  6. Katten kunnen in het donker zien.
  7. Kinderen zijn soms bang van het donker.
  8. Katten kunnen in het donker zien.
  9. Ik ben bang voor het donker.
  10. Hij bereikte de bergtop voor het donker.