Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. dol
    (v.e. schroef) doordraaiend
    "die schroef is dol"
  2. dol
    lijdend aan hondsdolheid; van dieren
    "een dolle hond"
    Synoniemen: hondsdol
  3. dol
    grappig, amusant
    "dolle pret"
    Synoniemen: grappig, komisch, leuk, hilarisch
  4. dol
    dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
    "dol op [haring/zwemmen/Amsterdam/Pavarotti]"
    Synoniemen: stapel, tuk, verkikkerd, verslingerd, verzot, wild, gek, bezeten, geil
  5. dol
    op luidruchtige manier vrolijk
    "niets is [hem] te dol"
    Synoniemen: uitgelaten, brooddronken, jolig, uitbundig, uitzinnig
  6. dol
    onzinnig.
  7. dol
    gek.
  8. dol
    (van schroefdraad) zonder grip.
  9. dol
    wild door hondsdolheid
    "Het was een dol plan, maar het was wel erg gezellig."

Zelfstandig naamwoord

  1. dol
    pin op een rad of schijf waarmee een beweging overgebracht wordt
  2. dol (de ~ | meervoud dollen)
    draaipunt voor roeiriemen aan het boord van een boot
    Synoniemen: roeidol, roeipen
  3. dol
    een metalen pin waarop een roeispaan kan draaien
  4. dol
    een U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust

Verwijzingen

Werkwoord

  1. dol is een vervoeging van dollen

Voorbeeldzinnen

  1. Ze zijn dol op fruit.
  2. Ik ben dol op auto's.
  3. Ze is dol op tennissen.
  4. Ik ben dol op lasagne.
  5. Niets is ons te dol
  6. DOL
  7. TPP „Bobov dol” asvijver, Kyustendil, Bobov dol;
  8. TPP „Bobov dol”:
  9. TPP „Bobov Dol” — Sofia (activiteit 1.1)
  10. Suhadolnica Suhi dol - sotočje z Martiževim grabnom