Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. dik
    zo vast, dicht ineengedrongen, dat weinig ruimte wordt ingenomen
    "een dikke mist/vacht"
    Synoniemen: compact, dicht
  2. dik
    gezet; dik; dik; van mensen; corpulent; corpulent; zwaarlijvig
    "een dikke buik/man"
    Synoniemen: corpulent, lijvig, vet, zwaarlijvig, buikig, gezet
  3. dik
    van aanzienlijke omvang; groot; omvangrijk
    "een dikke huid hebben"
    Synoniemen: omvangrijk, volumineus
  4. dik
    rijkelijk
    "dikke pret"
  5. dik
    een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    "Zij had erg dikke benen."
  6. dik
    de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    "Dat beestje was een vinger dik."
  7. dik
    een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    "Die jongen is echt veel te dik."
  8. dik
    ruim.
    "Het zat er dik in dat hij dat zou doen."
  9. dik
    hecht.
    "Zij zijn echt dikke vrienden!"
  10. dik
    nauw aaneengesloten
    "Er was gisteren erg dikke mist, waardoor we niets meer zagen."
  11. dik
    weinig vloeibaar
    "Hij hoestte allemaal dik slijm op."

Zelfstandig naamwoord

  1. dik (het ~)
    bezinksel of aanslag van wijn
    "door dik en dun (steunen)"
    Synoniemen: droesem, depot, drab, grondsop, hef, wijndrab, wijndroesem, moer, droes

Bijwoord

  1. dik
    op dikke wijze
    "Hij smeerde zich dik met zonnebrandolie in."
  2. dik
    ''overdrachtelijk'' in grote mate
    "Hij was daar dik tevreden mee."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. dik is een vervoeging van dikken

Voorbeeldzinnen

  1. De vrouw is dik.
  2. Ik ben zo dik.
  3. Je bent dik geworden.
  4. Als je teveel eet, word je dik.
  5. Het is dik aan tussen hen.
  6. Als je zoveel eet, zal je dik worden.
  7. De mist is vandaag zo dik als erwtensoep.
  8. Zijn stem is iel, hoewel hijzelf dik is.
  9. Het ijs is dik genoeg om er op te lopen.
  10. Hoe vet zou het zijn als Obama een mooi, dik afrokapsel zou laten staan?