Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. degelijk
    (van personen) te vertrouwen, zo dat men zich erop kan verlaten
    "een degelijke politieagent"
    Synoniemen: betrouwbaar, getrouw, vertrouwenwekkend, solide
  2. degelijk
    degelijk; kan tegen een stootje; solide
    Synoniemen: sterk, stevig, solide
  3. degelijk
    goed tegen een stootje kunnend
    "Die degelijke tent is bestand tegen de storm."
  4. degelijk
    (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren.
    "Als je niet met een degelijk iemand trouwt, zal ik je onterven!"

Voorbeeldzinnen

  1. Risicobeoordelingen moeten degelijk en realistisch zijn.
  2. Een degelijk en uitgebreid industriebeleid ontwikkelen.
  3. De verpakking moet de champignons degelijk beschermen.
  4. de omzet van Sernam is wel degelijk aanzienlijk teruggebracht;
  5. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.
  6. Er bestaat wel degelijk een duplicering van onderzoek.
  7. Het blijkt dus wel degelijk dat het fonds in de oorspronkelijke opzet zelfvoorzienend had kunnen zijn.
  8. Verdere sluitingen van fabrieken in de Gemeenschap kunnen wel degelijk gevolgen hebben voor hun activiteiten.
  9. Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.
  10. SERNAM heeft wel degelijk een kwaliteitscertificaat gekregen, meer bepaald het CLIQ-label;