Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. criticus (de ~ | meervoud critici)
    iemand die vaak kritiek heeft; iemand die erg op details let; iemand die (te) veel let op details; iemand die altijd kritiek levert; iemand die erg op de details let; iemand met kritiek
    "de critici langs de zijlijn hadden alles natuurlijk al zien aankomen"
    Synoniemen: muggezifter, beuzelaar, chicaneur, criticaster, haarklover, kanarieneuker, kommaneuker, krentenweger, miereneuker, peuteraar, pezewever, pietepeuter, pietepeuteraar, pietjesneuker, pietlut, scherpslijper, vitter, muggenzifter
  2. criticus (de ~ | meervoud critici)
    beoordelaar, recensent
    "de critici de mond snoeren"
    Synoniemen: beoordelaar, censor, recensent
  3. criticus
    iemand die veel kritiek levert