Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. brok
    lichamelijk aantrekkelijke man of vrouw
    Synoniemen: kanjer, knapperd, stoot, stuk, spetter
  2. brok (de/het ~ | meervoud brokken)
    een zekere hoeveelheid
    "zij is één brok [zelfvertrouwen]"
  3. brok
    een blok met een grillige vorm
    "Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven."
  4. brok
    een restant van een constructie
    "Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. brok is een vervoeging van brokken