Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. bolus (de ~ | meervoud bolussen)
    drol; broodje; drol; drol; vaste ontlasting; hoeveelheid menselijke of dierlijke uitwerpselen
    Synoniemen: hoop, bout, dreutel, drol, druk, hoopje
  2. bolus
    een vooral in Zeeland veelgegeten lekkernij
    "Geef mij maar eens een lekkere bolus!"

Voorbeeldzinnen

  1. Indien elektronische identificatiemiddelen worden gebruikt, dienen zij qua grootte en type geschikt te zijn voor het betrokken dier. Regelmatig dient te worden gecontroleerd of zij correct functioneren en/of er zich geen ongunstige reacties voordoen, bijvoorbeeld een ontsteking op de plaats van het inbrengen, neiging tot schuren of verwondingen aan de slokdarm ten gevolge van het verkeerd inbrengen van een bolus.