Betekenis van:
boel

boel (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • de zaken, de dingen
"de boel de boel laten"
"de boel afbreken"

Hyperoniemen

boel
Zelfstandig naamwoord
  • een verzameling van zaken
"Doordat ze zo ontzettend veel gedronken hadden, begonnen ze de hele boel af te breken."
boel
Zelfstandig naamwoord
  • de gang van zaken
"Doe geen zaken met hem, hij probeert altijd de boel te belazeren!"
boel
Zelfstandig naamwoord
  • een grote hoeveelheid
"Zo, er ligt weer een boel werk op ons te wachten."
boel (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"een boel [snoep/mensen]"
"een boel geleerd hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

boel
Zelfstandig naamwoord
  • een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.

Synoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ik moet een boel wassen in het weekend.
  2. Er zijn een boel bruggen in deze stad.
  3. mevrouw Mariann FISCHER BOEL
  4. Mariann Fischer Boel