Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. boel
    een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.
    Synoniemen: drom, hoop, massa, menigte, schare, stapel, tas, troep
  2. boel (de ~)
    situatie
    "een dolle boel"
    Synoniemen: toestand, bedoening, situatie
  3. boel (de ~)
    grote hoeveelheid
    "een boel [snoep/mensen]"
    Synoniemen: hoop, bende, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees
  4. boel (de ~)
    de zaken, de dingen
    "de boel de boel laten"
  5. boel
    een verzameling van zaken
    "Doordat ze zo ontzettend veel gedronken hadden, begonnen ze de hele boel af te breken."
  6. boel
    de gang van zaken
    "Doe geen zaken met hem, hij probeert altijd de boel te belazeren!"
  7. boel
    een grote hoeveelheid
    "Zo, er ligt weer een boel werk op ons te wachten."

Voorbeeldzinnen

  1. Ik moet een boel wassen in het weekend.
  2. Er zijn een boel bruggen in deze stad.
  3. mevrouw Mariann FISCHER BOEL
  4. Mariann Fischer Boel