Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. boef
    gemene, gewetenloze kerel
    Synoniemen: booswicht, galgeaas, galgebrok, galgenaas, gannef, kwaaddoener, satan, slechterik, snoodaard, spitsboef, zwijnjak, schurk
  2. boef (de ~ | meervoud boeven)
    ondeugend persoon; deugniet; deugniet; ondeugd; ondeugend kind; ondeugend iemand; ondeugend iemand; deugniet; sympathiek maar guitig iemand; ondeugend iemand; stout iemand; ondeugende jongen; lastig kind; gecastreerde haan; slechte zede; gemene kerel; ondeugende jongen; deugniet
    "een lekkere boef"
    Synoniemen: deugniet, aap, apekop, apenkop, bengel, doerak, dondersteen, donderstraal, lorejas, nietdeug, rakker, rekel, schavuit, schobbejak, stouterd, stouterik, vlegel, blaag, kapoen, ondeugd
  3. boef (de ~ | meervoud boeven)
    misdadiger, schurk
    "boeven vangen"
    Synoniemen: bandiet, gauwdief, picaro, schurk
  4. boef
    iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraadt
    "De boeven werden op heterdaad betrapt."