Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. bodem (de ~ | meervoud bodems)
    bedding
    "op de bodem (van de zee)"
  2. bodem (de ~ | meervoud bodems)
    buitenkant v.d. aardbol; buitenkant v.d. aardbol; grond; vast aardoppervlak
    "eigen bodem"
    Synoniemen: aardbodem, aarde, grond
  3. bodem
    een onderkant
    "De bodem van de emmer is lek."
  4. bodem
    de grond
    "De bodem raakte hierdoor verontreinigd."

Voorbeeldzinnen

  1. Haar ring viel in een rivier en zonk naar de bodem.
  2. Ze hebben de hoogste bergen beklommen en op de bodem van de zee gelopen.
  3. Tot de bodem", "Terug naar de bron.
  4. Als je goed kijkt dan zie je dat de doos een valse bodem heeft.
  5. Er is nog wat wijn op de bodem van het glas.
  6. Bodem
  7. bodem
  8. bodem
  9. Bodem
  10. Vochtspanningspotentiaal van de bodem