Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. berg (de ~ | meervoud bergen)
    grote heuvel
    "bergen verzetten"
  2. berg (de ~ | meervoud bergen)
    grote hoeveelheid
    "een berg papieren"
    Synoniemen: hoop, bende, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  3. berg
    zijn voorkeur bepalen voor (een of meer uit een aantal personen of zaken)
    Synoniemen: hoop, hoopje, stapel, tas
  4. berg
    een substantiƫle verhoging in het landschap
  5. berg
    een grote hoeveelheid
    "Een berg geld."

Verwijzingen

Werkwoord

  1. berg is een vervoeging van bergen

Voorbeeldzinnen

  1. Bekijk deze hoge berg.
  2. Ik ga naar de berg.
  3. We beklommen de steile berg.
  4. Hoe hoog is die berg?
  5. Er ligt sneeuw op de berg.
  6. Hij heeft de berg Fuji beklommen.
  7. Wat is de hoogste berg van Europa?
  8. Ik ga de berg Kitadake beklimmen.
  9. De berg is bedekt met sneeuw.
  10. De berg is tweeduizend meter boven het zeeniveau.