Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. bende (de ~ | meervoud benden, bendes)
    groep van ongure individuen
    "de bende van [De Zwarte Hand]"
    Synoniemen: boevenbende
  2. bende (de ~ | meervoud benden, bendes)
    grote hoeveelheid
    "een bende boeken"
    Synoniemen: hoop, berg, kwak, lading, massa, schep, stelletje, stoot, troep, veelheid, vracht, zooi, zwik, pak, smak, bom, bulk, sjees, boel
  3. bende
    een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
    "De bende van Nijvel was berucht voor haar geweld."
  4. bende
    een rommelige toestand
    "Oei, wat een riekende bende is het hier!"