Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. basis (de ~ | meervoud basissen, bases)
    datgene waarop iets berust
    "op die basis"
    Synoniemen: fundament, grond, hoeksteen, initia, pijler, voet, substantie, grondslag, ondergrond
  2. basis (de ~)
    opgestelde spelers
  3. basis (de ~ | meervoud basissen, bases)
    metselwerk in de grond waarop een muur of huis gebouwd wordt
    "de basis van een toren"
    Synoniemen: fundament, fondement, fondering, fundering, grondvest, grondvesting, grondslag
  4. basis (de ~ | meervoud basissen, bases)
    mensen die iets of iemand steunen; achterban
    "aan de basis werken"
    Synoniemen: achterban
  5. basis (de ~ | meervoud basissen, bases)
    punt vanwaar de legeroefeningen of de operaties tegen de vijand uitgaan
    "een militaire basis"
  6. basis (de ~ | meervoud basissen, bases)
    wiskunde
  7. basis
    grondslag
  8. basis
    militaire nederzetting
  9. basis
    spelersgroep die aan een wedstrijd begint
  10. basis
    grondslag
  11. basis
    militaire nederzetting
  12. basis
    spelersgroep die aan een wedstrijd begint

Voorbeeldzinnen

  1. Basis
  2. Basis
  3. Basis:
  4. (basis = kalenderjaar)
  5. basis: … mol.-%
  6. Basis: 9,74
  7. Basis: 9,3
  8. Basis: 8,5
  9. Basis: 8,32
  10. Basis: 11,33