Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. baar
    onvermengd
    "baar geld"
    Synoniemen: zuiver, ongemengd, onvermengd, puur, rein, geraffineerd

Zelfstandig naamwoord

  1. baar (de ~ | meervoud baren)
    draagtoestel, draagbaar, met name lijkbaar
    "in defilé trok men langs de baar van de vorst"
    Synoniemen: lijkbaar
  2. baar (de ~ | meervoud baren)
    golf op zee
    "Hij zong het liedje liedje "Varen, varen over de baren, varen varen over de zee"."
    Synoniemen: zeegolf
  3. baar (de ~ | meervoud baren)
    gegoten staaf van kostbaar metaal
    "een baar goud"
  4. baar
    een kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
  5. baar
    een staaf edelmetaal
  6. baar
    ''meestal in meervoud'' golf op zee

Verwijzingen

Werkwoord

  1. baar is een vervoeging van baren

Voorbeeldzinnen

  1. Ik zou met baar geld willen betalen.
  2. convertibiliteit heeft betrekking op de mate waarin financiële instrumenten kunnen worden omgezet in baar geld of overdraagbare deposito’s, alsmede op de daaraan verbonden kosten; het verlies van fiscale voordelen bij een dergelijke omzetting kan worden beschouwd als een boete die de mate van liquiditeit vermindert,
  3. Een syndicaatslening die bepaalt dat de debiteur de geldgever mag laten aflossen in ruil voor een uitstaande lening, is slechts beleenbaar onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, op voorwaarde dat de tegenpartij vóór de mobilisatie de desbetreffende NCB een afdwingbaar zekerheidsrecht verleent op het recht van de tegenpartij om baar geld te ontvangen voor deze aflossing.