Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. autoriteit (de ~ | meervoud autoriteiten)
    iem. van erkend gezag
    "de plaatselijke autoriteiten"
    Synoniemen: gezagdrager, gezagsdrager, gezagsdragers
  2. autoriteit (de ~ | meervoud autoriteiten)
    iemand met veel specifieke kennis; deskundige; deskundige
    "een autoriteit op het gebied van [iets]"
    Synoniemen: deskundige, deskundoloog, expert, specialist
  3. autoriteit
    de overheid
    "Van de autoriteiten mag er niet meer in de caf├ęs gerookt worden."
  4. autoriteit
    een persoon met veel kennis op een bepaald gebied
    "Hij is een autoriteit op het gebied van wiskunde."

Voorbeeldzinnen

  1. Argument uit eerbied, beroep op autoriteit
  2. Triviale zaken zijn niet de zorg van de autoriteit (koning, wet)
  3. AUTORITEIT
  4. Autoriteit
  5. „bevoegde autoriteit”:
  6. Bevoegde autoriteit: …
  7. Aangezochte autoriteit
  8. Toezichthoudende autoriteit
  9. De Autoriteit:
  10. Bevoegde autoriteit