Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. armzalig
    te klein, te weinig, onvoldoende; mager; weinig; slecht; schraal
    "een armzalige vertoning"
    Synoniemen: karig, pieterig, armetierig, schraal, mager, magertjes, miezerig
  2. armzalig
    armoedig; armoedig; armoedig; erg pover; in slechte staat
    "een armzalige vertoning"
    Synoniemen: armelijk, luizig, pover, povertjes, armetierig, schamel
  3. armzalig
    van weinig waarde
    "Ze woonden in een armzalig huis, maar waren wel gelukkig."