Betekenis van:
armzalig

armzalig
Bijvoeglijk naamwoord
  • van weinig waarde
"Ze woonden in een armzalig huis, maar waren wel gelukkig."
armzalig
Bijvoeglijk naamwoord
  • te klein, te weinig, onvoldoende; mager; weinig; slecht; schraal
"een armzalige vertoning"

Synoniemen

Hyperoniemen

armzalig
Bijvoeglijk naamwoord
  • armoedig; armoedig; armoedig; erg pover; in slechte staat
"een armzalige vertoning"
"een armzalig loontje"

Synoniemen