Betekenis

Bijvoeglijk naamwoord

  1. arm
    niets of bijna niets bezittend
    "de kloof tussen arm en rijk"
    Synoniemen: armlastig, behoeftig, bezitloos, minvermogend, onbemiddeld, onvermogend, armoedig
  2. arm
    weinig of geen vruchten voortbrengend
    "arme grond"
    Synoniemen: schraal, onvruchtbaar
  3. arm
    iets niet hebbend
    "een illusie armer, maar een ervaring rijker, kwam ze van haar reis terug"
  4. arm
    medelijden opwekkend; meelijwekkend; zielig; zielig
    "het arme dier zat in een veel te klein hok"
    Synoniemen: zielig, deerniswekkend, meelijwekkend, stakkerig
  5. arm
    niets of bijna niets bezittend
    "De school staat in de armste wijk van de stad."
  6. arm
    beklagenswaardig
    "Ze hebben die arme hond in een stikhete auto achtergelaten."
  7. arm
    geen of weinig natuurlijke rijkdom bezittend
    "Die plant doet het goed op arme gronden."

Zelfstandig naamwoord

  1. arm (de ~ | meervoud armen)
    menselijke ledemaat van romp tot hand
    "een gebroken arm"
  2. arm (de ~ | meervoud armen)
    uitsteeksel waarop iets rust
    "een kandelaar met [vijf] armen"
  3. arm (de ~ | meervoud armen)
    tak die opzij ontspruit uit een hoofdtak
    "Sinn Fein, de politieke arm van de IRA"
    Synoniemen: zijtak, aftakking
  4. arm
    elk van de bovenste ledematen bij de mens, reikend vanaf de schouder tot (en soms met) de pols en hand
  5. arm
    een (min of meer zelfstandig) onderdeel van een organisatie
  6. arm
    dierlijk lichaamsdeel met dezelfde functie als de menselijke arm
  7. arm
    leuning van een zitmeubel, bedoeld om de arm op te laten rusten

Voorbeeldzinnen

  1. Ik zag hen arm in arm lopen.
  2. Laat mijn arm los!
  3. Mijn arm doet vreselijk pijn.
  4. Arm zijn is geen schande.
  5. Wat, als ik arm ben?
  6. Hij is arm, maar eerlijk.
  7. Ze hield mijn arm stevig vast.
  8. Hoewel hij arm was, was hij gelukkig.
  9. Een alligator heeft zijn arm afgerukt.
  10. Omdat al zijn vrienden ook arm waren.