Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. amateur (de ~ | meervoud amateurs)
    niet-professionele beoefenaar; onbekende op bepaald terrein; amateur in sport of hobby
    "de kampioenschappen wielrennen voor amateurs"
    Synoniemen: hobbyist, vreemdeling, liefhebber
  2. amateur (de ~ | meervoud amateurs)
    knoeier
    "een stelletje amateurs"
    Synoniemen: kluns, dreutel, duts, frutselaar, hannes, jandoedel, klungel, knurft, lomperd, lummel, prutser, stoethaspel, stuntel, stuntelaar, sukkel, hobbezak, knuppel
  3. amateur
    een persoon die iets als hobby doet
    "De amateurs mochten op zondag voetballen."
  4. amateur
    iemand die onervaren is
    "Je lijkt wel een amateur met al dat geknoei."

Voorbeeldzinnen

  1. Tom is maar een amateur.
  2. Ik hoop in contact te komen met andere Esperantisten via de radio, want ik ben radio-amateur. Mijn roepnummer is F5NQW.
  3. luchtvaartuigen waarvan ten minste 51 % door een amateur of een non-profitorganisatie van amateurs voor eigen doeleinden en zonder enig commercieel doel wordt gebouwd;