Betekenis

Zelfstandig naamwoord

  1. agent
    iem. die een onderneming of vereniging vertegenwoordigt
    Synoniemen: correspondent, dealer, vertegenwoordiger
  2. agent (de ~)
    iem. zonder bepaalde titel of rang in diplomatieke of politieke dienst
    "De ambassade wordt bijgestaan door de consulair agent uit Male."
    Synoniemen: dealer, vertegenwoordiger
  3. agent
    iem. die voor artiesten, beroepssportlui enz. zakelijke belangen behartigt
    Synoniemen: manager, dealer, vertegenwoordiger
  4. agent (de ~ | meervoud agenten)
    iemand die aan winkels verkoopt; vertegenwoordiger v.d. bedrijf; vertegenwoordiger
    "een agent van de verzekeringsmaatschappij"
    Synoniemen: vertegenwoordiger, factoor, factor, handelsagent, handelsreiziger
  5. agent (de ~ | meervoud agenten)
    ambtenaar van de politie
    "oom agent"
    Synoniemen: politieagent, bout, diender, flic, gerechtsdienaar, glimmerik, juut, klabak, politie, politieambtenaar, politiebeambte, rakker, sjouter, smeris, tuut, wout, flik, pandoer
  6. agent
    een persoon die belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
    "De agent deelde een bekeuring uit aan de wildplassers."
  7. agent
    een vertegenwoordiger van een bedrijf
    "Hij ging naar de agent die zijn bankzaken regelde."

Voorbeeldzinnen

  1. Neem onmiddelijk contact op met je agent.
  2. Agent/Vertegenwoordiger
  3. Naam van de agent:
  4. Ramp Agent II (grondafhandelaar)
  5. Ramp Agent II (grondafhandelaar)
  6. Ramp Agent II (grondafhandelaar) [23]
  7. naam van de „calculation agent”.
  8. Agent van IRISL in Duitsland.
  9. Agent van IRISL in Duitsland
  10. Een andere importeur (agent) werd gehoord.