Betekenis

Werkwoord

  1. aanwenden
    gebruiken voor een doel; gebruiken; gebruiken; benutten; gebruik maken van; hanteren
    "middelen aanwenden"
    Synoniemen: bezigen, nemen, gebruiken, pakken, toepassen
  2. aanwenden
    gebruik maken van
    "Je kunt deze methode aanwenden om het wiskundige probleem op te lossen."

Voorbeeldzinnen

  1. Termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel
  2. Gegevens betreffende diegenen die het rechtsmiddel kunnen aanwenden
  3. Zij wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van het aanwenden van het rechtsmiddel.
  4. Dit voorschrift doet geen afbreuk aan andere rechtsmiddelen die een zeevarende zou kunnen aanwenden.
  5. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat ondernemingen, ook het mkb, onderzoeksresultaten commercieel kunnen aanwenden.
  6. De directeur moet de begrotingskredieten aanwenden volgens de in artikel 6 beschreven beginselen van goed financieel beheer.
  7. EDF heeft dit bedrag kunnen aanwenden om het eigen vermogen te versterken zonder een beroep te hoeven doen op externe financiële middelen.
  8. De vraag creëert een gemeenschappelijke markt voor de producten, aangezien dezelfde fabrikanten dezelfde werkwijzen, infrastructuur en inspanningen aanwenden om de producten te verkrijgen.
  9. Om de beschikbare financiële middelen met het grootst mogelijke effect te kunnen aanwenden moet het netwerk van meldpunten zo efficiënt mogelijk functioneren.
  10. De deskundigen mogen in geen geval de bij de werkzaamheden van de Groep verkregen inlichtingen voor persoonlijke doeleinden aanwenden, noch dergelijke inlichtingen bekendheid geven.